Een manifest voor kunst die er niet uitziet als kunst

Sarah Lombardi (1972) is directeur van de Collection de l’Art Brut in Lausanne (Zwitersland), het grootste museum met Outsider Art in Europa. De collectie is afkomstig uit de privé-verzameling van Jean Dubuffet (1901-1985), één van de grootste kunstenaars van de 20e eeuw en naamgever van Art Brut. In onderstaand essay reconstrueert Sarah Lombardi de belangrijke rol die Jean Dubuffet speelde in de geschiedenis van Art Brut.

Jean Dubuffet organiseert in 1949 de tentoonstelling L’Art Brut in de Galerie René Drouin in Parijs. De expositie toont 200 werken van 36 makers, voornamelijk uit de collecties van de Compagnie de l’Art Brut. Diezelfde werken vormen de kern van het museum in Lausanne dat 27 jaar later, op 26 februari 1976, wordt geopend.

Naast werken van de Compagnie de l’Art Brut, bestaat de expositie uit een aantal bruiklenen, in veel gevallen van André Breton die bijvoorbeeld de twee schelp-assemblages bezit van de hand van Pascal-Désir Maisonneuve, La Reine Victoria en Visage en poire. Maisonneuve is een handelaar in snuisterijen met een winkel in Bordeaux en de maker van zonderlinge voorwerpen, wiens werk Breton in 1948 aan Dubuffet laat zien. (noot 1)

De tentoonstelling wordt door de pers beschouwd als een zeer belangrijk evenement, want “sinds de oorlog, afgezien van de bezienswaardige tentoonstelling die in februari 1946 werd georganiseerd in het Sainte-Annehospitaal, komt vooral de heer Jean Dubuffet de eer toe in Parijs een indrukwekkende collectie te hebben opgebouwd en gepresenteerd van werk van geestelijk gestoorden en anderen uit alle uithoeken van de wereld, die hij samenbracht onder de noemer ‘Art Brut’”. (noot 2)

De tentoonstelling is inderdaad bijzonder, te meer omdat de expositie zich niet beperkt tot werken die gemaakt zijn in een inrichting. Ook bekende kunstenaars als Aloïse, Gaston Duf, Auguste Forestier, Robert Gie, Adolf Wölfli, Fleury Joseph Crépin, Miguel Hernandez en Henri Salingardes nemen deel aan Dubuffet’s befaamde tentoonstelling L’Art Brut. Verder is er werk te zien van zestien anonieme kunstenaars, kindertekeningen en verschillende stukken volkskunst, zoals bijvoorbeeld de houten objecten – een vijl, een liniaal en een wandelstokknop met daarop een torso van een naakte vrouw – van Xavier Parguey. Dubuffet ontdekt dit werk in november 1945 bij zijn bezoek aan het Musée National des Arts et Traditions Populaires in Parijs waar een aantal van Parguey’s gereedschappen waren tentoongesteld. Al deze makers hebben één ding gemeen: ze zijn totaal niet bekend met de artistieke cultuur en werken buiten de officiële domeinen.

Het is interessant om te constateren dat Jean Dubuffet in 1949 in zijn opvatting over ‘Art Brut’ nog werken opneemt uit terreinen die volkomen vreemd zijn aan die van de officiële kunst: kindertekeningen en voorbeelden van volkskunst en naïeve kunst, kortom werken die zich begeven in de marges van de officiële kunst. Hij gaat dus op onderzoek uit in een veld dat veel breder is dan alleen maar psychiatrische instellingen en gevangenissen, twee archetypische zones van uitsluiting in die tijd, die hij bezoekt tijdens zijn reizen door Zwitserland en Frankrijk. Pas na 1962, als de collecties terugkomen uit hun ballingschap in New York en een plek krijgen in een nieuw pand dat Dubuffet heeft gekocht aan de Rue de Sèvres 137 in Parijs, besluit hij kindertekeningen en alles wat tot de volks- en naïeve kunst behoort, uit te sluiten van Art Brut. (noot 3)

Hij verwijdert ook een aantal makers die, zoals hij het noemt, “hebben meegedaan aan de culturele activiteiten van galeries en tentoonstellingen, zoals bijvoorbeeld Louis Soutter en Gaston Chaissac.” (noot 4) Met dit besluit benadrukt Dubuffet eens te meer dat het zijn doel is te voorkomen “dat het domein te ver wordt opgerekt voorbij de eigenlijke Art Brut – die zich totaal niet bewust is van culturele kringen en door deze totaal worden genegeerd.” Van de 63 makers die debuteren op de tentoonstelling van 1949 worden er later acht door Dubuffet overgeheveld naar de ‘nevencollectie’ die in 1982 de naam ‘Neuve Invention’ krijgt.(noot 5)

Kritiek
De tentoonstelling wordt veel besproken, zowel in de internationale als Franse pers. De Gazette de Lausanne bijvoorbeeld lijkt Dubuffets stellingname te onderschrijven: “Deze kunstenaars worden meestal beschouwd als gekken of simpele zielen. Hoe dat ook moge zijn, de meeste werken die bij Drouin te zien zijn blijken veel verontrustender en heel wat interessanter dan vele werken van menig professionele schilder en ‘culturele’ kunstenaar.” (noot 6) Het merendeel van de recensenten laat zich echter zeer kritisch uit over het evenement. In eerste instantie roepen de woorden ‘Art Brut’ – de titel van de tentoonstelling – het beeld op van slecht gemaakte, brute of spontane werken, terwijl alleen aandachtige aanschouwing inzicht biedt in de hoge verfijning ervan. De werken worden hierdoor vaak beschreven als zouden ze geen enkele kunstzinnige waarde bezitten. Het woord ‘autodidact’ associeert men met het ontbreken van enigerlei artistieke kwaliteit, een idee dat fel wordt bestreden door Dubuffet, die juist het tegenovergestelde wil aantonen met werken waar hij zich hard voor maakt.
Het venijn van de pers weerspiegelt het onbehagen dat het werk oproept binnen de culturele kringen in het naoorlogse Parijs. Het idee alleen al dat Art Brut kan worden “geprefereerd boven de culturele kunsten”, zoals Dubuffet schrijft in de tentoonstellingscatalogus, “staat in hun ogen voor de onvoorstelbare vernietiging van de geschiedenis van de kunst en de vertegenwoordigers van een complete, aloude traditie.” (noot 7)

Jean Dubuffet “gebruikt zijn tentoonstelling en de veroorzaakte publiciteit als Trojaans paard om de aanval te openen op de officiële kunst.” (noot 8). Dubuffet schrikt duidelijk niet terug voor een provocatie, maar zijn daden zijn vooral ingegeven door het feit dat hij Art Brut en de vertegenwoordigers ervan beschouwt als een frisse bries in de kunstwereld van zijn tijd. (noot 9)

Sarah Lombardi (1972) studeerde kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Lausanne. Zij begon haar carrière als zelfstandig curator en maakte tentoonstellingen in Montreal, New York, Lausanne en Brussel. In 2004 kwam zij in dienst van de Collection de L’Art Brut in Lausanne, eerst als wetenschappelijk medewerker, later als curator. Sinds 2013 is Lombardi hier directeur.

NOTEN
1. Visage en poire is de titel die in de catalogus ‘L’Art Brut préféré aux arts culturels’ (1949) wordt genoemd.
2. Zie Patrick Waldberg, ‘L’Art Brut’, Monaco, november 1949. De tentoonstelling die in het Centre Hospitalier Sainte-Anne in Parijs te zien was van 16 tot 28 februari bevatte uitsluitend werk van psychiatrische patiënten.
3. Pas na terugkeer van de werken uit de galerie van Ossorio wordt er een register van een ‘nevencollectie’ opgesteld, zij het zonder datum, waarin de opgenomen werken het stempel collections annexes krijgen.
4. Jean Dubuffet, Catalogue de la Collection de l’Art Brut (Compagnie de l’Art Brut, Parijs 1971, p. 3).
5. Het ging om Béguin, Gaston Chaissac, Maurice Charrieau, Douida Qadour, Pierre Giraud, Robert Tatin, Joseph Lambert Degaudé en Somuk.
6. ‘Un autre procès: celui de l’art “culturel”‘, Gazette de Lausanne, 23 oktober 1949, zonder auteursvermelding (red. Franck Jotterand).
7. Lucienne Peiry, ‘De la clandestinité à la consécration: histoire de la collection de l’art brut 1945-1996’, proefschrift, Université de Lausanne, Faculté des Lettres, 1996, p. 57, archieven van de CAB.
8. Zie Peiry, ‘De la clandestinité à la consécration’, p. 55.
9. In 1986 zou Jean Dubuffet een dun boekje schrijven met de titel Asphyxiante culture, Jean-Jacques Pauvert, Parijs 1968 (herdruk: Les Éditions de Minuit, Parijs 1986).